Hoe verloopt het diagnostisch onderzoek naar autisme bij een kind?

Een diagnostisch onderzoek naar autisme verloopt niet overal op dezelfde manier. Dat hangt af van het centrum en van de specialisten die er werken.

Meestal bestaat het onderzoek uit verschillende stappen. Je komt daarvoor meerdere keren naar het diagnostisch centrum.

 

Intakegesprek

Het traject start meestal met een intakegesprek.

Tijdens dit gesprek bespreekt het team:

  • de vragen of zorgen die er zijn;

  • de ontwikkeling van je kind;

  • de verwachtingen van het onderzoek.

 

Gesprekken met ouders of andere betrokkenen

Onderzoekers verzamelen informatie over de ontwikkeling en het dagelijks functioneren van je kind.

Daarvoor spreken ze meestal met:

  • ouders;

  • soms ook andere betrokkenen, zoals grootouders of begeleiders.

Er komen vaak vragen over:

  • de vroege ontwikkeling;

  • communicatie en spel;

  • sociale interacties;

  • gedrag en interesses.

 

Observatie van het kind

Onderzoekers observeren ook hoe je kind zich gedraagt.

Dat kan bijvoorbeeld:

  • tijdens een spelsituatie;

  • tijdens een gestructureerde observatietest;

  • soms op school, in de opvang of thuis.

Bij jongeren gebeurt dit vaker via gesprekken en opdrachten.

 

Vragenlijsten

Ouders, leerkrachten of andere begeleiders vullen soms vragenlijsten in.

Zo krijgt het team een beter beeld van hoe het kind functioneert in verschillende situaties.

 

Psychologisch onderzoek

Vaak gebeurt ook een psychodiagnostisch onderzoek.

Dat kan bijvoorbeeld bestaan uit:

  • een ontwikkelingsonderzoek of intelligentieonderzoek;

  • onderzoek naar aandacht, geheugen of planning;

  • onderzoek naar sociale informatieverwerking;

  • onderzoek naar schoolse vaardigheden.

 

Onderzoek naar taal en communicatie

Soms onderzoekt een logopedist:

  • taalontwikkeling;

  • spraak;

  • communicatieve vaardigheden.

 

Eventueel aanvullend onderzoek

Soms gebeurt ook bijkomend onderzoek door andere disciplines. Dat hangt af van de vragen die er zijn en van het team dat het onderzoek uitvoert.

Mogelijke onderzoeken zijn bijvoorbeeld:

  • medisch onderzoek door een arts;

  • een gehoortest;

  • neurologisch of genetisch onderzoek, wanneer daar een medische reden voor is;

  • een onderzoek door een ergotherapeut of psychomotorisch therapeut.

Bij dat laatste onderzoek kijkt men bijvoorbeeld naar:

  • motorische vaardigheden;

  • lichaamsbesef;

  • coördinatie van bewegingen;

  • dagelijkse vaardigheden.

Dit soort onderzoek gebeurt vaak in Centra voor Ambulante Revalidatie (CAR), waar verschillende disciplines samenwerken.

 

Adviesgesprek

Na het onderzoek volgt een adviesgesprek.

Tijdens dit gesprek:

  • bespreekt het team de resultaten;

  • krijg je uitleg over de diagnose;

  • krijg je advies over ondersteuning of begeleiding.

Veel ouders ervaren dit gesprek als intens. Het kan daarom helpend zijn om met twee te komen of iemand mee te nemen die je ondersteunt.

Na het gesprek krijg je meestal ook een schriftelijk verslag.

 

Hoe kan je je voorbereiden?

Tijdens het onderzoek worden vaak vragen gesteld over de vroege ontwikkeling van je kind.

Het kan helpen om vooraf informatie te verzamelen.

Handige bronnen zijn bijvoorbeeld:

  • het boekje van Kind en Gezin;

  • verslagen van de crèche of onthaalouder;

  • schoolrapporten;

  • foto’s of homevideo’s;

  • een dagboek.

 

Wat neem je best mee naar het onderzoek?

Neem indien mogelijk mee:

  • verslagen van eerdere onderzoeken;

  • therapieverslagen;

  • het boekje van Kind en Gezin.

Sommige onderzoeken duren vrij lang. Neem daarom ook iets mee waarmee je kind zich kan bezighouden, en eventueel iets te eten of drinken.

 

Vraag altijd een verslag

Vraag altijd een schriftelijk verslag van het onderzoek.

Begrijp je bepaalde delen van het verslag niet? Neem dan gerust contact op met het centrum en vraag om uitleg.

Soms duurt het enkele weken voor je het verslag ontvangt. Heb je ondertussen vragen, dan kan je meestal al contact opnemen met het team.